Bonaire, Palo Santo, The Holly Wood, Wayaká, Guayaka, Pokhout, Gayac, 1526-2013

guajaca

Guajaca. Carte de l’Ile de Bon-Aire, dressée au mois d’Octobre 1866 d’après les ordres du Gouverneur de Curaçao / par A. Conradi et E.E. Jarman. – Scale 1:80.000. – Lithography.

Saliña Wayaká

way

05/2003. Saliña Wayaká from above.

Several years ago Wayaca (in Washington Park) was temporarily opened to the sea. Six months later only a very narrow band of corals right by the opening had died, but the number of fish inside and outside the bay was simply phenomenal! It is also believed that the corals would return after the initial silt, thrown on the coral upon the opening the bay, had disappeared. Because of their ability to “dust” themselves off corals have a high survivorship to silt deposition if this is periodic and not chronic. (The Bonaire Reporter – April 20 to April 27, 2007. p. 05. SAVE OUR BAYS. By René Hakkenberg. http://bonairereporter.com/news/007PDFs/04-20-07.pdf)

tainoGuayacán is a Taino name taken from Hispaniola (Oviedo, 1526). The Spanish historian Gonzalo Fernández de Oviedo y Valdés wrote it as guayacá and guayacan (without accent)… Other than the Taino name, the first Spanish reports called the trees Palo Santo. The French used the same name and call it Bois Saint, the Portuguese Pão Santo.

Those name were used because of belief in the Doctrines of signatures, which maintains that when God sent a pestilence to humans, he also sent a remedy from the same region (Crosby, 1972)… When syphilisis first appeared in Europe, physicians did not recognize the malady. Because syphilisis began with ulcers and sores, Europeans compared it with a disease they knew, the “pox”…

In addition to being considered antisyphilitic for so long, resin from the tree was considered an effective treatment against gout, rheumatism, scrofula, cutaneous diseases and chronic lung problems. (Daniel F. Austin – 2004 – Florida Ethnobotany – Page 538)

guay

Two species of Guaiacum grow in Bonaire, viz. G. officinale L., Pokhout, Wayacá, (the Lignum-vitae of American trade), and G. sanctum L., Wayacá shimarón, Wayacá machu. (Amsterdam. Koloniaal Instituut. Afdeling Handelsmuseum, ‎Koninklijk Instituut voor de Tropen. Afdeling Tropische Producten, ‎Amsterdam. Indisch Instituut. Afdeling Handelsmuseum – 1956 - Mededeling – Afdeling Tropische Producten – Issue 47 – Page 24)

10junebon-4

But since 2007, wayaká is listed as an endangered species under the Convention on International Trade in Endangered Species of Wild Flora and Fauna (CITES). Historically, the tree was harvested here to make durable pulleys for sailing ships, ideal since the wood lubricates itself with resin from within. But overgrazing, excessive harvesting and indiscriminate land clearing has allowed secondary plant cover to take over much of Bonaire’s landscape, a significant challenge to this slow growing tree.

“Uncontrolled land clearing and goats are the major threats,” states STINAPA’s Elsmarie Beukenboom, director of Bonaire’s national parks foundation. “A nature ordinance, a framework of laws, has passed, but the island resolutions that include beschermingsmaatregels (protection measures) have not.”

Until this legislation is enacted, trees like the wayaká will have no protection. They offer shade and shelter for a variety of plants and animals. Plus, the wayaká provides critical nesting sites for many birds including loras.

As a stopgap measure, STINAPA and Salba Nos Lora have done some reforestation work planting wayaká and other tree species on Klein Bonaire and at Pos Nobo in protected plots. Unfortunately wayaká is a poor candidate for reforestation due to its slow growth. It takes 20 years for it to mature.

Therefore, the fate of this tree and others is in the hands of the Bonaire government. “The government just needs to put its signature on the island resolutions,” continues Beukenboom. “But for that hand to grab the pen, it’s a very long process.” (http://worldkid66.wordpress.com/2010/07/03/the-endangered-ones/)

gayac---guayacum-officinale

Pokhout (Guayacum officinale) of Wayaca, plantesoort uit de fam. der Zygophyllaceae. Lage boom met gladde, vaak zeer dikke stam en donkergroene kroon; bladeren 2-3 jukkig, glanzend; bloemen in schermvormige bloeiwijzen in de vertakkingen van de jongste twijgen, licht blauw; vrucht 2-hokkig, oranje, met 5 rode zaden. Algemeen. Hout is zeer hard en wordt elders gebruikt voor het maken van linialen, draaischijven, katrollen enz. Ben. en Bov. Eil. (Encyclopedie van de nederlandse Antillen, Dr H. Hoetink, p.462.)

guaya(8.) Le gayac, le bois de gayac, le bois saint. “Guayacum vel lignum sanctum”, sont les noms que l’on donne au bois d’un arbre dont Monardès a donné l’histoire, & que Parkinson appelle “guayacum flore cœruleo, fimbriato, fructu tetragono; c’est le “guayacum officinale” de Linnæus.

Cet arbre croit naturellement dans l’Amérique, & principalement aux îles Antilles; il se trouve aussi dans les Indes orientales. Il en découle une gomme résineuse qu’on nous apporte en petits fragments, qui tiennent très souvent à la propre écorce de l’arbre. (Joseph Lieutaud – 1781 – Précis de la matière médicale: contenant ce qu’il importe de … – Page 169)

Er is een tijd geweest, dat Bonaire dicht begroeid was met heestergewas en laag geboomte. Zelfs nu, nadat jaren lang overal in het wild is weggekapt, steekt Bonaire in dit opzicht nog gunstig af bij de twee naburige eilanden. Reeds in den tijd der Spanjaarden leverde B. jaarlijks een aanzienlijke hoeveelheid hout, waarvan het Braziliehout, ook stokvischof rood verfhout (Haematoxylon Brazilense) genaamd en het pokhout (Guayacum officinale) handelswaarde bezaten.

Na de inbezitname der kolonie door de Engelschen in 1807 ontsloegen zich de nieuwe overheerschers van de zorg van toezicht en administratie over Bonaire, door het geheele eiland aan een zekeren heer Foulke, een Noord-Amerikaanschen koopman op Curaçao, tegen f 4000 ‘s jaars te verpachten. Tegenover de verplichting om ‘s lands slaven te onderhouden, ontving Foulke het vrij gebruik over alles, wat het eiland opleverde.

Het spreekt van zelf, dat de pachter bij zulk een overeenkomst geen schade leed. Vooral het kostbaar hout moest het in die mate ontgelden, dat het den schijn had, alsof het uitgeroeid moest worden. Toen in 1816 de kolonie weer in Holland’s bezit kwam, werd een commissie naar B. gezonden, om den toestand op te nemen. Toch bleek echter de voorraad Braziliehout nog zóó groot, dat er naar ruwe schatting jaarlijks nog 400 ton (van 1000 K.G.) tegen f 100 per ton zou kunnen gekapt worden.

In het jaar 1823 werd zelfs voor een waarde van f 59.000 (de prijs was inmiddels gestegen) verscheept. Allengs verminderde de voorraad, de marktprijzen daalden. In het jaar 1863 bedroeg de uitvoer slechts 93½ ton, in 1866 weer 213½ ton. Voor de jaren 1882, 1883 en 1884 vond ik resp. 237 ton, 4 en 55 ton aangegeven. Een opgaaf van lateren datum vond ik niet meer geboekt.

Sinds eenige jaren heeft alle uitvoer van dit hout opgehouden. Al de dikke en zware stammen van Brazilie- en pokhout zijn geveld. Op vele plaatsen ziet men nog een spichtig stammetje. Doch bij den langzamen groei van dit hout en de tegenwoordige grootere bevolking, in aanmerking genomen ook, dat alle timmerhout van Noord-Amerika moet worden ingevoerd, is het geenszins te verwonderen, dat die weinige stammetjes maar zelden den vollen wasdom bereiken, niettegenstaande de strenge straffen van gouvernementswege op het kappen van boomen uitgevaardigd. (Neerlandia. Jaargang 11. Morks & Geuze, Dordrecht 1907 . De tegenwoordige economische toestand van Bonaire door Pastoor P.A. Euwens. p. 202.http://www.dbnl.org/tekst/_nee003190701_01/_nee003190701_01_0401.php)

Pokhout (‘guayaca’, Guayacum officinale) werd om wille van de slijtvastheid en bestendigheid gekapt en geëxporteerd, verfhout of Brazielhout (Haematoxylon brasiletto) om der wille van de verfstof, die er uit werd bereid.

Verder vond ontbossing plaats bij het gereed maken van landbouwgrondjes, voor de bouw van woningen, voor het branden van houtskool en kalk en voor de scheepsbouw. Deze ontbossing welke een toenemende erosie ten gevolge had, zou minder desastreus zijn geweest indien het natuurlijke herstel zijn gang had kunnen gaan. Aan de geitenhouderij is het te wijten dat dit niet het geval kon en kan zijn. (René A. Römer et al., Cultureel mozaïek van de Nederlandse Antillen. De Walburg Pers, Zutphen 1977. Hoofdstuk XII Monumentenzorg en natuurbeheer. p. 229. http://www.dbnl.org/tekst/rome012cult01_01/rome012cult01_01_0013.php)

A tree like Guayacum officinale (guayaca), however, being non-deciduous, succumbs when deprived of its leaves for a long time. (Natuurwetenschappelijke Werkgroep Nederlandse Antillen – 1962 – Uitgaven van de Natuurwetenschappelijke Werkgroep Nederlandse Antillen – Page 30)

DSC_0025

The only known fully mature Wayaka tree (<1000yrs) left on the island of Bonaire, according to Steve Briley, Ornithologist and Masters student at the University of Leeds. (http://justawing.blogspot.fr/2013/07/the-dinosaur-reef.html)

©2013 Olivier Douvry/GlobeDivers

About these ads

Tagged as: , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , ,

Categorised in: 2013, Bonaire, Library, Maps and Charts, News, Shipwrecks of Bonaire

Please, leave a reply.

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s

©2014 Olivier Douvry/GlobeDivers
Follow

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 117 other followers

%d bloggers like this: